Tag Archives: Arthur Firstenberg

Hoofdstuk 5. Chronische electrische ziekte.

Vanaf 1959 werd er een web aan telegraafleidingen gebouwd boven Londen. Eerst alleen voor zakelijke klanten, maar al gauw ook voor particulieren. Tweeduizend vijfhonderd meter kabel, en nog een veelvoud daarvan aan leidingen, werd aangebracht boven de hoofden en onder de voeten van de Londenaren. Soortgelijke ontwikkelingen vonden in andere wereldsteden plaats. Alles in een razend tempo.

In de Verenigde Staten werd in 1844 de eerste telegraaflijn gebouwd door het team van Samuel Morse. De lijn ging van Baltimore naar Washington, langs de Baltimore- en Ohio-spoorlijn. Veel telegraaflijnen liepen langs beide kanten van spoorlijnen.

Terwijl deze transformatie in volle gang was, beschreef de jonge arts Georg Miller Beard (1839-1883) in 1869 de symptomen van een nieuwe ziekte die hij “neurasthenie” noemde. Zelf legde hij geen verband met elektriciteit. Integendeel, hij behandelde de ziekte met elektrotherapie, waar hij veel verstand van had.

Al eerder dan 1869 werd de term “neurasthenie” gebruikt door medici, maar dan ging het om een andere ziekte. Wat voor ziekte weet ik niet – dat legt Firstenberg niet zo goed uit, vind ik. Belangrijk punt voor hem is dat de betekenis van sommige medische termen verandert in de loop der tijd. Bijvoorbeeld ook “nerveus” betekende lange tijd dat wat we tegenwoordig “neurologisch” noemen. Het is pas sinds Freud dat een “neurose” psychisch wordt verklaard als een gevolg van verdrongen vroege jeugdervaringen. Een ander voorbeeld is het vroegere gebruik van de termen “hypochondrisch” en “hysterisch”. Als een man symptomen van een neurologische ziekte vertoonde waarvan men dacht dat ze voortkwamen uit de interne organen, werd hij gediagnosticeerd als hypochonder. Als een vrouw hetzelfde soort symptomen vertoonde, werd ze gediagnosticeerd als hysterisch – van het Griekse woord voor baarmoeder – men dacht dat de baarmoeder klachten veroorzaakte elders in het lichaam.

De draconische behandlingen veroorzaakten zelf vaak zelf ernstige neurologische ziekten. De temperamententheorie van Hippokrates gold nog steeds. Elke ziekte was het gevolg van een teveel of te weinig aan gele gal, zwarte gal, flegma (slijm) en bloed. Behandeling moest vloeistoffen waar te weinig van was aanvullen, en waar teveel van was afvoeren. Dus de patiënt moest laxeren, braken, zweten, bloeden (aderlaten). In medicijnen zaten vaak giftige stoffen als lood en kwik. In het begin van de negentiende eeuw begonnen sommige dokters de temperamentenleer in twijfel te trekken. Velen realiseerden zich ook dat er niets mis was met de baarmoeder respectievelijk interne organen in het geval van ziekten van het zenuwsysteem. Ze zochten naar betere namen.

In 1866 kwam de eerste beschrijving van de ziekte die Beard drie jaar later neurasthenie zou noemen. Dat was in een boek van Austin Flint. Daarna ging het los met publicaties hierover. Flint beschreef patiënten die klagen over loomheid, moeheid van geest en lichaam, gewrichtspijn, depressie, slapeloosheid, ‘s ochtends al uitgeput zijn.

Firstenberg vertelt hier het tragische verhaal van dokter Margaret Abigail Cleaves (1848 – 1917). Haar verhaal verdient eigenlijk een eigen blogpost. Kort gezegd ondervond deze bekwame arts alle symptomen van heftige neurasthenie, maar ze had het zelf niet door. Sterker nog, ze gebruikte veel elektrotherapie bij haar patiënten en deed onderzoek naar straling. Waarom toch legde ze geen verband? Waarschijnlijk omdat nu eenmaal op dit tijdstip was besloten dat neurasthenie psychisch was, punt uit.

Ondertussen bleek dat mensen die in de buurt van electriciteit werkten beroepsziekten kregen. Telegrafisten kregen “mal télégraphique”, die bestond uit onder andere hartkloppingen, slapeloosheid, problemen met zien en horen en een lange lijst met andere klachten. Telefoonoperatoren kregen ook klachten. Mensen die in de trein werkten ook. Weliswaar waren daar ook andere oorzaken zoals de treinbewegingen en het lawaai, maar vergeet niet dat er aan beide kanten van het spoor telegraaflijnen waren. Rudolf Arndt legde tenslotte verband tussen neurasthenie en electriciteit.

Toen kwam Freud en defineerde neurasthenie als mentale ziekte en “angstneurose”. Nu werden de symptomen definitief opgevat als psychisch en emotioneel, dus zonder externe oorzaak. Maar alleen in Noord-Amerika en West-Europa. In veel andere landen is neurasthenie de meest voorkomende psychiatrische ziekte, en chronische vergiftiging wordt vaak als oorzaak gevonden. Bijvoorbeeld in Azië, Oost-Europa, Rusland en de voormalige Sovjetrepublieken.

Symptomen waren, onder andere: angst, geprikkeldheid, hartkloppingen, hartritmeverstoringen, pijn op de borst, zweten, uitputting. En een aantal andere klachten die bekend zijn bij elke dokter, elke patiënt met “anxiety” en ook elke persoon met electrische gevoeligheid.  

De term neurasthenie kwam in gebruik in China in de jaren twintig, toen het land begon te industrialiseren. In Rusland nam neurasthenie epidemische proporties aan in de jaren 1880. Daar lag het niet aan later op gang komende industrialisatie. Het kwam door de invloed van neurofysioloog Ivan Sechenov en later zijn leerling, de bekende Ivan Pavlov (die met de bel en de kwijlende hond). Zij legden grote nadruk op omgevingsfactoren die neurasthenie veroorzaken, in tegenstelling tot de interne factoren van Freud. In de twintigste eeuw vonden Russische dokters omgevingsoorzaken van neurasthenie, waaronder electriciteit en electromagnetische straling. Het was ook niet toevallig juist in Rusland dat in de jaren dertig de nieuwe ziekte “radiogolfziekte” werd ontdekt.

Hier vat Firstenberg het samen, let op de ironie in de laatste zin.

“As living beings, not only do we possess a mind and body, but we also have nerves that join the two. Our nerves are not just conduits for the ebb and flow of electric fluid from the universe, as was once believed, nor are they just an elaborate messenger service to deliver chemicals to muscles, as is currently thought. Rather, as we will se, they are both. As a messenger service, the nervous system can be poisoned by toxic chemicals. As a network of fine transmission wires, it can easily be damaged or unbalanced by a great or unfamiliar electric load. This has effects on both mind and body that we know today as anxiety disorder.” (Firstenberg 2017: 65).

Hoofdstuk 3: Electrosensitiviteit

Al vroeg ondervonden sommige onderzoekers van electriciteit schadelijke gevolgen aan hun eigen lichaam. Dat gold bijvoorbeeld voor Thomas-François Dalibard, Benjamin Wilson en Johann Doppelmayer. In die tijd was kennis dat electriciteit bijeffecten had gemeengoed. Men wist ook dat sommigen er ongelooflijk meer gevoelig voor waren dan anderen. Sommige mensen ondervonden ernstige en langdurige gevolgen van een heel klein schokje. Anderen reageerden helemaal niet op grote electriche schokken. Veel individuen zaten ergens tussen die twee uitersten.
 
Sommige geleerden waren electrosensitief. De correspondentie tussen de electrosensitieve Morin en de niet-electrosensitieve Nollet is bewaard gebleven. Ze verschilden van mening over wat electriciteit voor iets was, een atmosfeer of een vloeiende substantie, en over hoe het getransporteerd wordt. Maar over de feiten hadden ze geen onenigheid. Iedereen was bekend met de bijwerkingen. Dat bleef zo tot het begin van de twintigste eeuw. Er werden bijvoorbeeld tien pagina’s aan gewijd in een toonaangevend leerboek van George Beard en Alphonso Rockwell uit 1881.

Belangrijke conclusies waren: er zijn grote individuele verschillen. En er lijkt geen relatie met iemands algehele gezondheidstoestand. Het is dus niet zo dat zwakke mensen gevoeliger zijn voor electriciteit dan sterkere.

Weergevoeligheid is nauw verbonden met electrosensitiviteit. Dus bijvoorbeeld dat sommige mensen al fyiologisch reageren op een storm die pas dagen later komt. Biometeorologie was een wetenschap die het verband tussen weersverschijnselen en biologische veranderingen onderzocht. Later raakte deze wetenschap in onbruik.

De Nederlandse geofysicus Solco Tromp richtte in 1956 de International Society for Biometereology op. Passend genoeg in Leiden, waar iets meer dan twee eeuwen geleden het electriciteitstijdperk was begonnen (toen Pieter van Musschenbroek er in slaagde lading te bewaren in een fles).

Weersensitieve patiënten zijn gevoelig voor de electriciteit in de lucht, twaalf tot achtenveertig uur voorafgaand aan een weeromslag. Dat onderzocht Felix Gad Sulman met vijftien collega’s. Patiënten begonnen serotonine uit te scheiden in reactie op ionen en atmosferische verschijnselen lang voor het daadwerkelijke weer kwam.

Beroemde weergevoelige (en dus electrosensitieve) mensen waren Charles Darwin, Leonardo da Vinci, Napoleon. Om er maar een paar uit de lijst te noemen.

In 1972 was het Internationaal Symposium in Nederland. Thema was de biologische effecten van natuurlijke electrische, magnetische en electromagnetische velden.

Maar het onderzoeksveld raakte in de vergetelheid. Misschien omdat de bevindingen te confronterend waren voor een wereld waar electriciteit alomtegenwoordig begon te worden?

“For if a third of the earth’s population is that sensitive to the gentle flow of ions and the subtle electromagnetic whims of the atmosphere, what must the incessant rivers of ions from our computer screens, and the turbulent storms of emissions from our cell phones, radio towers, and power lines be doing to us all? Our society is refusing to make the connection.” (Firstenberg 2017: 41-41).

Maar in de achttiende eeuw legden behandelaars van electrotherapie het verband tussen weersverschijnselen en electriciteit. Pierre Mauduyt de la Varenne zag overeenkomsten tussen hoe mensen reageren op wrijvingsmachines en hoe mensen en dieren zich voelen bij storm en regen. Plotseling begreep men dat ook storm te maken heeft met electriciteit. Het stroomcircuit van een machine was een verkleinde versie van het grote stroomcircuit van hemel en aarde.

Electriciteit in het weer was al door de oude Chinezen beschreven in de vierde eeuw voor onze jaartelling, in termen van Qi en Yin en Yang.

Arthur Firstenberg: The Invisible Rainbow. A History of Electricity and Life. AGB Press, Santa Fe, New Mexico, Sucre, Bolivia, 2017.

Hoofdstuk 2 – De doven gaan horen en de lammen lopen

Welk effect heeft electriciteit op het leven? In de achttiende eeuw werd deze vraag gesteld en mogelijke antwoorden werden uitgewerkt door wetenschappers. Maar moderne wetenschap stelt deze vraag niet meer volgens Firstenberg (2017: 15). Dit is een van de belangrijkste punten in zijn boek.

“Science’s only concern today is to keep human exposure below a level that will cook your cells. The effect of nonlethal electricity is something mainstream science no longer wants to know. But in the eighteenth century, scientists not only asked the question, but began to supply answers.” (Firstenberg 2017: 15-16).

Patiënten met allerlei verschillende aandoeningen werden behandeld met electriciteit met een laag voltage. De schokken waren ver onder de grens voor wat dodelijk is. Toch hadden ze duidelijke effecten op de gezondheid.

Patiënten met artritis werden bijvoorbeeld “gebaad” in een electrisch bad, en/of behandeld met “electrische wind”. In het geval van ernstige aandoeningen (bijvoorbeeld een verlamd been) kregen ze een opeenvolging van heftige schokken met een Leidse fles. Achterliggende gedachte was de electrische balans in het lichaam te herstellen. Overigens een gedachte die in de Oosterse acupunctuur al veel langer en subtieler was ontwikkeld. (vergeleken met de dunne naaldjes gebruikte de electrotherapie in ons deel van de wereld sloophamers, zegt Firstenberg met weer een mooie metafoor) .

In het begin van de negentiende eeuw werd electrotherapie even een tijdje minder populair. Dat kwam omdat een paar “sectes”, zoals Firstenberg ze noemt, een slechte naam kregen en in het verlengde daarvan electrotherapie een slechte naam bezorgden. Bijvoorbeeld de kring rond Mesmer. Na die korte inzinking steeg de populariteit weer, totdat in het begin van de twintigste eeuw electrotherapie definitief in onbruik raakte.

Electriciteit genas soms ziekten, zowel milde als ernstige aandoeningen. De bekende neuroloog Guillaume Benjamin Duchenne de Bologne genas in Parijs doven door een zenuw in het middenoor heel kort te stimuleren met een zwakke stroom. De resultaten waren frappant. Soortgelijke methoden werden al eerder door een paar anderen toegepast, bijvoorbeeld apotheker Johann Sprenger in Duitsland en de Zweedse arts Johann Lindhult. Hun aanpak verschilde wat, maar alledrie stonden erop hun behandelingen kort, eenvoudig en pijnloos te houden, met zwakke schokjes.

Electriciteit kon gezien en geproefd worden. Alexander von Humboldt experimenteerde met een hond en ook met zichzelf. De arme hond reageerde sterk als hij een stukje zink op zijn tong kreeg dat in contact werd gebracht met een stukje zilver. Zelf voelde hij verschillende sensaties afhankelijk van de plaats waar het stukje zink op zijn tong zat. Een sterke bittere smaak, verbranding, sensaties van koude en misselijkheid.

En electriciteit had duidelijk merkbare werkingen op het hart, werd gevonden door veel onderzoekers. Ook hier deed Humbolt experimenten mee, met verschillende dieren, levend en dood. Volgens hem versnelt electriciteit de hartslag, iets wat vele andere dokters ook rapporteerden over het electrische bad, tenminste zolang er “positieve” (glas-) electriciteit werd gebruikt. Negatieve (hars-) energie had het tegengestelde effect. De Nederlandse apotheker Willem van Barneveld rapporteerde hier genuanceerd over na 169 experimenten op 43 patiënten. Gemiddeld ging de polsslag met 5% omhoog als een persoon werd gebaad in positieve electriciteit en 3% omlaag als een persoon werd gebaad in negatieve electriciteit. Maar op sommige patiënten had de electriticiteit een veel sterker of juist veel zwakker effect, terwijl bij nog weer anderen een omgekeerd patroon werd waargenomen. Die mensen kregen een snellere polsslag bij negatieve electriciteit en een langzamere polsslag bij positieve electriciteit. (Van Barneveld 1787, in Firstenberg 2017: 24).

Aan het eind van de achttiende eeuw was er veel bekend over zowel heilzame/neutrale als schadelijke effecten van electriciteit, vooral de positieve variant. Positieve electriciteit kon leiden tot een sterkere en snellere hartslag en uitscheiding van diverse lichaamsvochten – bloed, speeksel, zweet, maagsappen, urine. Maar het leidde ook bijna altijd tot duizeligheid en soms een mentale verwarring (“istupidimento”), hoofdpijn, misselijkheid. Velen kregen een bloedneus.

Abbé Nollet (die van de eerder besproken kermisattractie) toonde aan dat zowel dieren als mensen gingen zweten alleen al door in het electrische veld te zijn. Dus ook zonder direct contact met de wrijvingsmachine. Hij woog zijn onderzoeksobjecten (allerlei soorten dieren, waaronder kooien vol met vliegen, uiteindelijk ook een jonge vrouw) voor en na blootstelling. Het gewichtsverlies na blootstelling verklaarde hij door transpiratie vanwege de stimulerende invloed van electriciteit op de zweetproductie. Het gewichtsverlies was zelfs groter als ze alleen maar in het electrische veld waren, vergeleken met als ze daadwerkelijk schokken kregen. In 1753 rapporteerde Nollet daarmee als eerste significante biologische effecten van blootstelling aan een electrisch veld – het soort veld dat volgens de gangbare wetenschap van vandaag geen enkel effect heeft. (Firstenberg 2017: 27).

Arthur Firstenberg: The Invisible Rainbow. A History of Electricity and Life. AGB Press, Santa Fe, New Mexico, Sucre, Bolivia, 2017.

Hoofdstuk 1: Gevangen in de fles

Electriciteit opwekken was al langer mogelijk. Electriciteit bewaren nog niet. Daarom waren de uitvindingen van onder andere Pieter van Musschenbroek baanbrekend.

In 1746 slaagde deze Leidse professor erin electriciteit op te slaan. Met een wrijvingsmachine wreef hij een glazen bol, in onze moderne termen, statisch. Volgens de opvattingen van die tijd werd er een “electrische vloeistof” geproduceerd, die vervolgens overgebracht kon worden in een flesje met water. Dit werd bekend als een Leidse fles.

Musschenbroek en andere geleerden waarschuwden voor de nadelige gevolgen. Desondanks werd “electrische schokken ondervinden” in de eeuwen daarna een populaire bezigheid. Zowel voor vermaak als voor medische doeleinden.

Bijvoorbeeld Abbé Jean Nollet (een voormalige monnik en kloosterhoofd, vandaar zijn bijnaam) nam de Leidse fles mee naar Frankrijk en voorzag daar in een grote behoefte aan amusement op kermissen en dergelijke. Mensen gingen met tientallen of honderden tegelijk in een kring staan en gaven elkaar een hand. Een persoon aan een van de einden nam de fles in zijn hand. Nollet ging naast hem staan en raakte plotseling de metalen draad in de fles aan. Daardoor werd het stroomcircuit gesloten. De schok werd door iedereen in de kring gevoeld.

De “electrische kus” werd een populair gezelschapsspel in de betere kringen. Twee personen staan op een ondergrond van was. Een van hen heeft een geladen flesje in haar hand en de ander een kabel. Als hun lippen elkaar ontmoeten volgt er een schok. (Zal later proberen de prachtige gravure die in Firstenbergs boek staat hier weer te geven, van een man die smachtend zijn lippen richt naar een vrouw die iets hoger staat, net voor de kus).

Al snel werden electrische machines verkocht in elke prijsklasse, voor iedereen die thuis ook wel met electriciteit wilden spelen.

Daarnaast werd electriciteit gebruikt voor medische doeleinden. De geleerden Franklin en Wesley deden dit. Maar ook veel niet-medici begonnen winkels met electrische machines voor allerlei soorten behandelingen. Onder andere werd een behandeling met electriciteit, vanwege de baarmoedersamentrekkende werking, stilzwijgend een methode om abortus op te roepen.

Er kwam veel en gedetailleerde documentatie over de werking van electriciteit op levende wezens. Brieven, medische boeken en tijdschriften, voordrachten, proefschriften. Er waren zowel therapeutische als schadelijke werkingen.

Er waren mensen die waarschuwden voor die schadelijke werkingen, maar naar hen werd nauwelijks geluisterd. Daar was het allemaal veel te leuk voor. Zo beschrijft Firstenberg het met een van zijn metaforen:

“But the floodgates were wide open, and the torrent of enthusiasm about electricity rushed on unhindered, and would continue to do so during the coming centuries, sweeping caution against the rocks, crushing hints of danger like so many bits of driftwood, obliterating whole tracts of knowledge and reducing them to mere footnotes in the history of invention.” (Firstenberg 2017:13).

Arthur Firstenberg: The Invisible Rainbow. A History of Electricity and Life. AGB Press, Santa Fe, New Mexico, Sucre, Bolivia, 2017.

De onzichtbare regenboog – Voorwoord

Een intrigerende titel. Wat is er kleurrijker dan een regenboog? Wat voor regenboog is onzichtbaar? Hoe weet je dat hij er is, als je hem niet kan zien? Is het goed of niet?

Ooit liet een regenboog in de lucht na een storm alle kleuren zien die er waren, stelt Arthur Firstenberg in het voorwoord van The Invisible Rainbow. Dat was voor er allerlei andere kleuren, zoals hij ze noemt, kwamen. De radiogolven in onze tv’s, de electrische stroom in huizen, de ultrasone freqenties in onze computers, de microgolven in onze mobiele telefoons.

Omslag van Arthur Firstenberg: The Invisible Rainbow.

Al die golven beinvloeden de gezondheid van ons mensen en onze “buren”, dieren en planten. Zonder dat we ze kunnen zien. Maar ons lichaam weet dat ze er zijn. Ze interfereren met de electrische golven die betrokken zijn bij alle processen in ons lichaam.

In het voorwoord zet hij tegenstellingen op tussen zien en niet-zien. Weten en niet-weten, of willen weten en negeren. Gezondheid en ziekte.

Mensen zijn niet geprogrammeerd om andere golven dan kleuren te zien, Daarom zijn we letterlijk blind voor de gevolgen die electrische golven hebben. Tegenwoordig zijn er vele ziekten die eerder nagenoeg onbekend waren volgens Firstenberg, zoals angststoornis, griep, diabetes, hartziekten en kanker.

“We live today with a number of devastating diseases that do not belong here, whose origin we do not know, whose presence we take for granted and no longer question. What it feels like to be without them is a state of vitality that we have completely forgotten.” (Firstenberg 2017:2).

We leven met deze “ziekten van de civilisatie” omdat we weigeren te erkennen wat het is dat ze veroorzaakt.

“The 60-cycle current in our house wiring, the ultrasonic frequencies in our computers, the radio waves in our televisions, the microwaves in our cell phones, these are only distortions of the invisible rainbow that runs through our veins and makes us alive. But we have forgotten.
It is time that we remember.”
(Firstenberg 2017: 2).

Arthur Firstenberg: The Invisible Rainbow. A History of Electricity and Life. AGB Press, Santa Fe, New Mexico, Sucre, Bolivia, 2017.