Hoofdstuk 3: Electrosensitiviteit

Al vroeg ondervonden sommige onderzoekers van electriciteit schadelijke gevolgen aan hun eigen lichaam. Dat gold bijvoorbeeld voor Thomas-François Dalibard, Benjamin Wilson en Johann Doppelmayer. In die tijd was kennis dat electriciteit bijeffecten had gemeengoed. Men wist ook dat sommigen er ongelooflijk meer gevoelig voor waren dan anderen. Sommige mensen ondervonden ernstige en langdurige gevolgen van een heel klein schokje. Anderen reageerden helemaal niet op grote electriche schokken. Veel individuen zaten ergens tussen die twee uitersten.
 
Sommige geleerden waren electrosensitief. De correspondentie tussen de electrosensitieve Morin en de niet-electrosensitieve Nollet is bewaard gebleven. Ze verschilden van mening over wat electriciteit voor iets was, een atmosfeer of een vloeiende substantie, en over hoe het getransporteerd wordt. Maar over de feiten hadden ze geen onenigheid. Iedereen was bekend met de bijwerkingen. Dat bleef zo tot het begin van de twintigste eeuw. Er werden bijvoorbeeld tien pagina’s aan gewijd in een toonaangevend leerboek van George Beard en Alphonso Rockwell uit 1881.

Belangrijke conclusies waren: er zijn grote individuele verschillen. En er lijkt geen relatie met iemands algehele gezondheidstoestand. Het is dus niet zo dat zwakke mensen gevoeliger zijn voor electriciteit dan sterkere.

Weergevoeligheid is nauw verbonden met electrosensitiviteit. Dus bijvoorbeeld dat sommige mensen al fyiologisch reageren op een storm die pas dagen later komt. Biometeorologie was een wetenschap die het verband tussen weersverschijnselen en biologische veranderingen onderzocht. Later raakte deze wetenschap in onbruik.

De Nederlandse geofysicus Solco Tromp richtte in 1956 de International Society for Biometereology op. Passend genoeg in Leiden, waar iets meer dan twee eeuwen geleden het electriciteitstijdperk was begonnen (toen Pieter van Musschenbroek er in slaagde lading te bewaren in een fles).

Weersensitieve patiënten zijn gevoelig voor de electriciteit in de lucht, twaalf tot achtenveertig uur voorafgaand aan een weeromslag. Dat onderzocht Felix Gad Sulman met vijftien collega’s. Patiënten begonnen serotonine uit te scheiden in reactie op ionen en atmosferische verschijnselen lang voor het daadwerkelijke weer kwam.

Beroemde weergevoelige (en dus electrosensitieve) mensen waren Charles Darwin, Leonardo da Vinci, Napoleon. Om er maar een paar uit de lijst te noemen.

In 1972 was het Internationaal Symposium in Nederland. Thema was de biologische effecten van natuurlijke electrische, magnetische en electromagnetische velden.

Maar het onderzoeksveld raakte in de vergetelheid. Misschien omdat de bevindingen te confronterend waren voor een wereld waar electriciteit alomtegenwoordig begon te worden?

“For if a third of the earth’s population is that sensitive to the gentle flow of ions and the subtle electromagnetic whims of the atmosphere, what must the incessant rivers of ions from our computer screens, and the turbulent storms of emissions from our cell phones, radio towers, and power lines be doing to us all? Our society is refusing to make the connection.” (Firstenberg 2017: 41-41).

Maar in de achttiende eeuw legden behandelaars van electrotherapie het verband tussen weersverschijnselen en electriciteit. Pierre Mauduyt de la Varenne zag overeenkomsten tussen hoe mensen reageren op wrijvingsmachines en hoe mensen en dieren zich voelen bij storm en regen. Plotseling begreep men dat ook storm te maken heeft met electriciteit. Het stroomcircuit van een machine was een verkleinde versie van het grote stroomcircuit van hemel en aarde.

Electriciteit in het weer was al door de oude Chinezen beschreven in de vierde eeuw voor onze jaartelling, in termen van Qi en Yin en Yang.

Arthur Firstenberg: The Invisible Rainbow. A History of Electricity and Life. AGB Press, Santa Fe, New Mexico, Sucre, Bolivia, 2017.