Monthly Archives: juni 2013

Subsidie verdwijnt – Duiventil gaat door

– Het is hartstikke leuk om geld te krijgen. Maar als puntje bij paaltje komt hebben wij het geld niet nodig.

Dat zegt Ineke Due-Schovers, leerkracht Nederlands aan NTC De Duiventil in Tromsø. De school verzorgt onderwijs in Nederlandse taal en cultuur voor kinderen in de basisschoolleeftijd. Elke woensdagmiddag krijgen de kinderen les op een basisschool in de stad.

Due, die een mastergraad Nederlands heeft, geeft al decennia lang les. Toen buitenlandse kinderen in Noorwegen nog recht hadden op onderwijs in hun eigen taal, gaf ze Nederlandse les op een aantal scholen. Toen dat recht verviel, werd De Duiventil opgericht. Het lespunt gaat na de vakantie haar vijfentwintigste jaar in. Al die tijd met Due als leerkracht. Het aantal leerlingen varieert per jaar. Dit jaar begonnen ze met negen, waarvan er nu nog vijf over zijn. Na de vakantie zijn er naar verwachting zeven leerlingen. De Duiventil is daarmee een klein lespunt, vergeleken met bijvoorbeeld de Nederlandse scholen in Stavanger, Oslo en Bergen.

Zoals bekend zijn er vergevorderde plannen om de subsidie voor Nederlands onderwijs in het buitenland te schrappen. Daar schreef ik over in deze blogpost. Voor ons betekent dat misschien dat we stoppen met het afstandsonderwijs via de Wereldschool, als we 1750 euro moeten gaan betalen voor een jaarpakket. Voor veel lespunten in het buitenland zal het op zijn minst grote problemen opleveren. Maar voor De Duiventil heeft de bezuinigingsmaatregel geen negatieve consequenties.

– We zijn nooit afhankelijk geweest van het geld en hebben een reserve opgebouwd. In de loop der jaren hebben we een goede bibliotheek opgebouwd. Ik heb alle boeken die ik wil hebben, zegt Due.
Lokalen en andere faciliteiten kunnen ze gratis gebruiken. Due geeft vrijwillig les naast een “gewone” baan als lerares Noors aan immigranten. De ouders betalen geen eigen bijdrage, maar moeten wel alle niet-onderwijskundige taken vervullen.

En die niet-onderwijskundige taken, dat zijn er nogal wat. Denk aan het aanvragen van de subsidies, het contact met de inspectie van de Stichting NOB, het beheer van de bankrekening. En niet te vergeten rapportages aan de Stichting NOB. Tenslotte moet de stichting controleren dat het onderwijs aan de criteria voldoet. Maar dat betekent wel een omvattende documentatieplicht en een enorme hoeveelheid papierwerk. Die moeten de ouders, op dit moment zijn het er vier, in hun vrije tijd afhandelen. Er is bij zowel leerkracht als ouders veel irritatie over die bureaucratische eisen.

Due citeert uit een rapportage van het laatste klanttevredenheid dat de Stichting NOB in 2012 liet uitvoeren. Aankondiging klanttevredenheidsonderzoek. Ik heb het op dit moment niet letterlijk. Het komt erop neer dat veel kleine scholen vinden dat de Stichting NOB veel goed werk doet, maar te veel bureaucratie met zich meebrengt. Daar herkennen Due en de ouders van de kleine school in Tromsø zich erg in.

Met het wegvallen van de subsidie is veel papierwerk in de avonduren niet meer nodig.

Maar zoals gezegd wijkt De Duiventil af van de meeste Nederlandse lespunten in het buitenland. Voor lespunten die een leraar, faciliteiten en lesmaterialen moeten betalen -en dat zijn de meeste – betekent het de ondergang. En dat vindt Due erg jammer. Voor kinderen die terugkeren naar Nederland na een langer verblijf in het buitenland is de overgang naar onderwijs in het Nederlands erg groot, als ze dat niet hebben kunnen bijhouden.

Motorvrijbuiters in Bardu

Motoravonturiers in Bardu. Foto: Karin Swart-Donders.
– Het mooiste vond ik hoe je de natuur ziet veranderen als je naar het noorden rijdt. Zweden is weelderig groen, het barst van de bomen. Dan worden de bomen lager. Dan zijn er alleen nog berken en naaldbomen. Dan komen er kale plekken tussen. Het eindigt met rotsen en mos. Die kale natuur was mooi om te zien.
Dat zegt Johan uit Amsterdam. Hij en Eugène, Monique, Johan en Jean-Claude van Motortrefpunt De Motoravonturiers zijn terug van de Noordkaap. Nu zijn ze op weg terug naar Nederland. En ze overnachten in een grote hut op de camping van Bardu. Met prachtige zuurstokroze gordijntjes voor de ramen!
Ze vertrokken op 15 juni uit Beverwijk. Via de boot Puttgarden-Rødby ging het naar het Zweedse Jonköping, om Stockholm heen langs de kust van Zweden, via Finland en het laatste stuk door Noorwegen.

Helemaal zonder pech was de reis niet. Ze wilden in het Finse Oulu een kennis bezoeken. Negen jaar geleden had die man een van de avonturiers geholpen toen die panne had. Maar in de Zweeds-Finse grensplaats Haparanda-Tornio kreeg Monique een lekke band.
– We dachten: Haparanda is een grote plaats. Het staat al honderden kilometers vantevoren op de verkeersborden. Niet dus.
Ze strandden net na sluitingstijd, net voor een lang midzomernachtsweekend. En het regende pijpestelen. Wachten in Haparanda zou een vertraging van vier dagen op het reisschema betekenen. Gelukkig kon Monique regelen dat de motor naar de 132 kilometer Oulu werd gesleept. Doorweekt kwamen ze in Oulu aan, waar ze mochten blijven slapen bij dezelfde hulpvaardige Finse meneer. Hun motorkleren mochten drogen in zijn sauna en hij ging gelijk rondbellen. En toen ging het snel. De volgende dag om tien uur ‘s ochtends konden ze terecht bij een garage – nou ja, een tractorbedrijf – en om 12 uur reden ze weer.

Nu gaat het via de Noorse westkust naar Oslo en de boot naar Kiel. Prachtige natuur en lekker veel bochten. Zwieren dus. Daar houden motorrijders van!

– De Alpen zijn ook mooi, maar Noorwegen overtreft nog de Alpen, zegt Monique.

– We zijn gewoon vrije geesten, we houden van toertochten, vertelt oprichter van de vereniging Eugène.
Regelmatig organiseert het trefpunt Motoravonturiers motortoertochten in heel Europa, van de Noordkaap tot Italie en van Engeland tot Turkije. Maar met name in Nederland en Duitsland.

Plezier staat voorop, dat merk je aan deze club. Met slecht weer rijden ze dan ook nooit, vermeldt de website – behalve op de terugweg 🙂
Vandaag kwamen ze dan ook inderdaad in een enorme hoosbui terecht. Ze hadden eigenlijk al veel noordelijker willen stoppen voor de nacht, maar nergens was plaats. Gelukkig voor Dagreis werd het dus de charmante camping van Bardu.

Eerder sprak ik met deze dames:
Nederlandse nichtjes naar de Noordkaap
en met deze motorheren:
Met de motor van Rome naar de Noordkaap

Anita vindt haar weg

Platlanders hebben weinig woorden voor en begrip van reliëf. Daar liep vertaalster Paula Stevens tegenop bij het vertalen van Karl Ove Knausgårds romanserie “Min kamp”. Want hoe breng je de vele gedetailleerde natuurbeschrijvingen van het landschap van zijn jeugd over naar begrijpelijk en mooi Nederlands? Aan een publiek dat tweedimensionaal denkt. Een publiek niet alleen een zeer beperkte woordenschat heeft voor hoogteverschillen (berg en heuvel, dan heb je het toch zo ongeveer gehad?), maar ook geen kennis heeft van hoe zo’n Noors landschap er uitziet?
Lees Paula’s inzichtgevende en humoristische blogpost over het “verzetten van bergen naar vlakland”: Å flytte fjell til flatland (Noors)

Maar, misschien onverwacht, het omgekeerde is ook waar. Noorse berggeiten snappen Nederlands platland niet.
– Hoe vinden jullie in hemelsnaam de weg? Alles is plat, nergens een punt waar je je op kan oriënteren, zoals een berg!
Dat zegt mijn dorpsgenoot Anita Borgan. Ze heeft twee Nederlandse vriendinnen en bezocht die een paar keer in Nederland. En raakte dus best gedesoriënteerd.

En Anita heeft toch echt ervaring met haar weg vinden. Jarenlang werkte ze als vrijwilliger voor het Rode Kruis. Het waren vele lange avondwachten na een gewone werkdag als leidster in een barnehage. Niet alleen werkte ze als ambulancechauffeur en gaf ze EHBO-cursussen, maar ze hielp ook mensen zoeken die ergens in de wildernis in nood verkeerden. Die vond ze door een kompaskoers uit te zetten en te volgen.

ksd130618AnitaBorgan1-1

In de zomer van 2009 verhuisde Anita uit Steinkjer in Nord-Trøndelag naar Bardu. Zoals veel vrouwen die hun weg vinden naar dit militaire dorp, was dat ook in haar geval in het goede gezelschap van een officier-echtgenoot. Na vier jaar hier merkte ze dat ze het miste om buiten te zijn. Ze was toe aan een nieuwe hobby, en de oriënteringssport leek een logische stap. Daarom volgde ze een beginnerscursus orienteren.

Twee jaar geleden volgde ik zelf die cursus. Hoewel ik ook toen al jaren in dit land woonde en de taal goed sprak, merkte ik dat ik in mijn hart een plattelandsvrouw was gebleven. Er kwamen veel voor mij nieuwe woorden voorbij. Kolle (heuveltje of verhoging). Skrent (stenige helling), stup (supersteile stenige helling). En nog steeds heb ik problemen met het vinden van een søkk, en al helemaal met uitleggen wat dat is. Een v-of u-vormig laag stuk voor een heuvel, of tussen twee heuvels, een dal dus, in elk geval ziet het er zo uit op de kaart, tja. Niet makkelijk, dat vertalen.

Hoogtelijnen zijn nog steeds niet mijn sterkste punt. Maar het is ook zo dat het typische oriënteringstaaltje wat afwijkt van het normale taalgebruik. Dialectverschillen spelen ook een rol. Want ook Anita moest een paar koller zien voordat ze begreep wat dat precies was. En wat is een grop nou weer voor iets? Als Trønder gebruikt ze liever het woord dulp voor kuil/verlaging in het landschap.

De cursus bestond uit een avond theorie en een avond praktijk, buiten in de frisse natuur. In tegenstelling tot bij mijn cursus werd het kompas niet behandeld. Dat was ook niet echt nodig, want alledrie de cursisten hadden ervaring met het gebruik van een kompas. Ze waren dus op de kaart aangewezen. Anita vond dat alleen maar positief.
– Een kompaskoers is zeker. Maar met een kaart zie je meer, je let meer op de natuur om je heen. En je leert op jezelf vertrouwen.

Er zijn misschien niet zo veel vrouwen die tijdens hun zwangerschap met oriënteren beginnen. Anita is 24 weken onderweg. Ze voelt zich wel eens afwijken van andere aankomende moeders. Sommigen weten ook goed elke klacht onder een vergrootglas te leggen. Dan denkt ze: Klagen jullie maar. Ik ga lekker de natuur in.
En volgende zomer mooi weer met de baby in een draagzak op haar rug!

Ik schrok van het schaap. Laatste maanden met de Wereldschool?

– Vandaag gaan we weer oefenen met sch en schr. Kun je deze zin lezen?

– Ik schrok van het schaap, leest dochter langzaam.

We lachen. We hebben genoeg afleveringen van Sean the Sheep gezien om te weten hoe grappig schapen kunnen zijn. Stel je voor, sta je in een weitje en opeens komt er van achter een schaap aan dat keihard in je oor blaat. Beeeeh!

Bijna een jaar zijn we nu bezig met Nederlands via de Wereldschool. Na de eerste week schreef ik deze blogpost Ik slurp.

We lazen over Kim die ridder wil worden. Op de ridderschool is naast zwaardvechten ook het bonen-met-ui-eten een belangrijk deel van het lesprogramma. We gruwelden over het vieze mevrouwtje Snuifiepuifie. En we lazen over de echtelijke ruzies van meneer Smaak en mevrouw Geur. En over Dries die een held is op het ijs. Eigenlijk meer een “held”.

In het eerste jaar is vooral leren lezen belangrijk. Daarnaast wordt er begonnen met spellingonderwijs. Het lezen van zogenaamde clusters van letters (bijvoorbeeld schr in schrok of pt aan het eind van kruipt) gaat haar goed af. Meer moeite heeft ze nog steeds met de typisch Nederlandse tweeklanken zoals ie, eu, oe, en met het verschil tussen lange en korte klanken (zoals hop/hoop). Bij de klinkers zit het Noors haar vaak in de weg, want dat heeft een ander systeem om het verschil tussen lange en korte klinkers aan te geven. Ze heeft ook de neiging om bijvoorbeeld hoep te lezen waar hop staat, omdat je in het Noors een o vaak uitspreekt als oe.

De methode vraagt veel van leerling en ouder. Logisch, want het gaat om iets zo basaals als het leren lezen, het zogenaamde aanvankelijk lezen. Eigenlijk zou je per dag een half uur aan de stof moeten besteden. Dat lukte ons vorig jaar niet. En dat lukt ons nu niet. In elk geval bijna nooit. Als het “gewone” huiswerk gemaakt is na een lange dag op school en buitenschoolse opvang, is dochter vaak moe. Ik ben blij als we dan nog tien-vijftien minuten halen om te besteden aan woordjes lezen, tekst lezen of opdrachten maken, voordat de concentratie echt op is. Dan heb ik het nog niet over de dagen dat we moeten rennen naar skitraining, zwemcursus of verjaardagsfeestjes.

Toch zitten we nog redelijk op schema. Nu, na een jaar, hebben we 2/3 van de stof doorgewerkt. Ergens voor kerst kunnen we klaar zijn met het pakket Nederlands voor groep 3.

En dan? Een pakket Nederlands voor groep 4 bestellen?

Dat is de grote vraag. We zijn tevreden met de Wereldschool. Ze leveren goede lesstof en begeleiding. Maar goedkoop is het allemaal niet. En het wordt naar verwachting nog veel duurder.

Want op 30 mei heeft het Ministerie van OCW (Onderwijs, Wetenschap en Cultuur) besloten om de volledige subsidiëring voor het Nederlandse onderwijs in het buitenland per 1 januari 2014 stop te zetten.
Die subsidie bedraagt 500 euro per leerling.
Een jaarpakket Nederlands kostte 1250 euro.
Gisteren heeft de Wereldschool de prijzen verhoogd met 500 euro, zodat je nu 1750 euro betaalt voor een jaarpakket.

En dat is wel heel veel.

Lees de Kamerbrief invulling subsidietaakstelling onderwijs en onderzoek
Van minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker (OCW) aan de Tweede Kamer.

De Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB) is het uiteraard niet eens met de beslissing. Onderbreek de Nederlandse les niet

Stichting NOB en de Wereldschool roepen op tot het ondertekenen van deze petitie Behoud Nederlands onderwijs in het buitenland

Thilderkvists queeste

Op 23 mei promoveerde de Zweedse archeoloog Johan Thilderkvist aan de Rijksuniversiteit Groningen. Nu is hij terug in een zomers Noord-Noorwegen.

Johan Thilderkvist. Foto: Karin Swart-Donders.

Thilderqvist (of Thilderqvist, hij is zelf ook wat inconsequent met de spelling) begon in 2005 aan zijn promotieonderzoek bij het Groningen Institute of Archeology. Hij onderzocht 20 speciale deposities van beenmateriaal uit de vroege middeleeuwen. Die deposities waren afkomstig van opgravingen uit Leeuwarden, Dongjum, Midlaren en Uppåkra in de Zuid-Zweedse provincie Skåne. Doel was het testen en evalueren van verschillende analysemethoden om zo beter “gewoon” beenderafval te onderscheiden van beendermateriaal dat met een ritueel doel is gedeponeerd.

Archeologen stuiten op vele methodologische problemen. Om te beginnen is het materiaal dat je opgraaft slechts een fractie van het materiaal dat ooit aanwezig is geweest. Misschien niet meer dan 0,1%. En niet erg representatief voor wat er ooit was.

Wordt er in een nederzetting een depot van dierenbotten gevonden, dan wordt vaak geconcludeerd dat dit een weerspiegeling is van het dieet en de economie van die gemeenschap. Soms is de conclusie dat de beenderen op een rituele manier zijn gebruikt, zonder dat dit verder wordt uitgediept. Terwijl je eigenlijk het allerliefst wilt weten wat de redenen zijn waarom die botten daar zo zijn neergelegd en wat voor religieuze voorstellingen de mensen hadden.
Voor zo’n verdere analyse ontbreekt het ook maar al te vaak aan tijd en geld. Toch argumenteert Thilderkvist voor het gebruiken van een veelheid aan methoden. Zo kun je toch zoveel mogelijk te weten komen over het zeer weinige materiaal. Geen enkele methode is perfect. Je weet ook niet vantevoren welke methode bij een bepaalde vondst het best werkt.

Een archeozoölogische methode bleek bij deze vondsten goed te werken om rituele depots van andere depots te onderscheiden. Hierbij kijk je bijvoorbeeld van welke diersoort de beenderen zijn en uit welk deel van het lijf ze afkomstig zijn. Met deze methode vond Thilderkvist zogenaamde anomalieën bij 19 van de 20 vondsten.

Archeologische methoden bleken ook bruikbaar. Hierbij onderzoek je bijvoorbeeld artefacten die samen met de dierlijke resten zijn gevonden, de stratigrafische context en de algemene context van de opgraving.

Bij de rituele depots ging het in de meeste gevallen om zogenaamde deeloffers. Een dier werd gedeeltelijk opgegeten, terwijl een ander deel, bijvoorbeeld de schedel, werd geofferd.

Wil je menselijk gedrag uit het verleden begrijpen, dan zijn directe historische bronnen het beste. Geschreven teksten uit die tijd en over die plaats. Maar zulke teksten waren er nauwelijks over deze gebieden. Daarom moet je analogieën gebruiken. De situatie vergelijken met wat je weet uit hetzij teksten uit een latere (of eerdere) tijd, hetzij etnografische teksten uit andere culturen. Of de situatie vergelijken met wat je weet over verklaringen achter rituele disposities uit onze eigen tijd.
Zulk analogisch redeneren heeft grote tekortkomingen. Thilderkvist wijst er op dat je in elk geval niet onbewust “onze” visie op religie moet plakken op een gemeenschap uit vroeger tijden. Iets wat je als onderzoeker wel snel geneigd bent te doen. Misschien was religie in het verleden veel meer geïntegreerd in het dagelijks leven dan nu, we weten het niet.

Thilderkvist en zijn vrouw Elin Torsetnes, die ook archeologe is, woonden vier jaar in het centrum van Grunnen. Dat beviel ze goed. De cultuur op het archeologisch instituut verschilde niet veel van die in Lund, waar Johan studeerde. Ze leerden ook aardig Nederlands spreken. Over een aspect van de Nederlandse cultuur waren ze echter niet zo te spreken. Dat was de, hm, grote verworvenheid van thuis bevallen. Johan: -Mijn vader is ook thuis geboren, maar dat was in 1935!
Geen verloskundige kon hen overtuigen van hoe mooi het toch wel was om thuis te bevallen. Toen hun dochter en later hun zoon zich aandienden, gebeurde dat mooi wel in het ziekenhuis.
Johans chef had hem gelukkig gewaarschuwd: in Nederland moet een geboorte binnen drie dagen aangegeven worden bij de burgerlijke stand. Op dat moment moet de baby dus zijn voorzien van voornaam! In Noorwegen en Zweden heb je zes maanden om na te denken over hoe je spruit zal gaan heten. Het is hier heel gewoon om een baby de eerste tijd met een koosnaam aan te duiden, “Kleintje” ofzo, totdat je het echt eens bent over een geschikte naam.

Sinds 2009 woont het gezin in Bardu. Elin, die oorspronkelijk uit Harstad komt (“slechts” twee en een half uur rijden, om de hoek dus), kreeg een baan bij de gemeente. Ze doet stamboomonderzoek naar de families in Bardu en onderzoekt de geschiedenis van de boerderijen. Dit is een een deel van het nieuwe bygdebok dat eind 2014 moet verschijnen.

Een beschrijving van het onderzoek op de website van de RUG

De laatste zomer van Breidablikk

maar wat voor een zomer!

Alle weerrecords voor mei zijn gebroken in Noord-Noorwegen. Op veel plaatsen de warmste meidagen ever. In Tana Bru was het vrijdag 30,6 graden.
Minder leuk is de hoeveelheid overstromingen doordat de sneeuw nu zo plotseling smolt. In Kvam was het weer goed raak, zoals vaker de laatste jaren. Ook mijn provincie Troms ontkwam weer niet aan de overstromingen.

Zou juni net zo zonnig worden als mei? De maand begon in elk geval goed. Gisteren ontvingen we Maiko en zijn familie op het balkon. Dat wil zeggen, de volwassenen zaten op het balkon terwijl de kinderen een grote wateroorlog uitvochten. Dat kan niet vaak hier. Veel te snel waren de waterballonnetjes op.

Kafe Breidablikk in het Østerdalen in Bardu. Foto: Karin Swart-Donders.

Kafe Breidablikk in het Østerdalen in Bardu.

Vandaag bezochten we het cafe Breidablikk. Dat ligt in een van Bardu’s vier dalen, namelijk het Østerdal. In wat vroeger een schooltje is geweest.

Een grote mierenhoop bij Breidablikk. Foto: Karin Swart-Donders.

Vlak buiten de tuin ligt een grote mierenhoop. Verderop in het bos zijn er nog veel meer, vertelde cafe-eigenares Jutta Maurer. Grappig is dat haar naam ongeveer “mieren” betekent in het Noors. Jutta komt oorspronkelijk uit Duitsland en woont al meer dan 25 jaar in Bardu.
De mug is trouwens ook aangekomen in het Østerdalen, hebben we gemerkt.
Tulpen bij Breidablikk. Foto: Karin Swart-Donders.

In de zomer is Breidablikk op woensdag en zondag open van drie tot tien uur. Soms zijn er ook concerten van lokale artiesten. Meestal is er wel een tentoonstelling, zoals nu aquarellen van Sissel Utby. Landschappen en stillevens, ik vond ze mooi. Later misschien foto’s.

De gelagkamer van cafe Breidablik. Foto: Karin Swart-Donders.

(Ontdekken jullie de oma van Harry?

Het gebouw bestaat uit een gelagkamer en een kleiner zaaltje voor de tentoonstellingen met tussen die beide zalen een keuken. En er is een zolder. Daar hebben vroeger de schoolkinderen geslapen.

Breidablikk school werd in 1896 in gebruik genomen. Eerst werd het internaatdeel gebruikt als woning voor de onderwijzer. Toen Indset school, nog veel verder het Østerdal in, ophield te bestaan in 1932 woonden er door de week ook leerlingen.
Ergens in de jaren vijftig stopte het onderwijs op Breidablikk. Toen nam Breidablikk/Øimo missievereniging het gebouw over. Vanaf 1976 is het huis in handen van particulieren. En, vertelt de website, het is gebruikt voor uiteenlopende doelen als overnachtingsfaciliteit door elandjagers en stemlokaal. Het werd gedeeltelijk gerestaureerd en wordt sinds 2007 gebruikt als cafe.
Gastenboek. Foto: Karin Swart-Donders.

Maurer, die naast haar werk als waardin een drukke baan heeft in de kinderbescherming, heeft besloten er na dit seizoen mee te stoppen. Het is gewoon te veel werk. Het nakomen van alle pietepeuterige regeltjes van de Noorse Voedsel- en Warenautoriteit is ook moeilijk en kostbaar. Te kostbaar in verhouding tot de opbrengst, vermoed ik. Vanmiddag hebben we geen andere bezoekers gezien. Nu zijn we er ook niet zo lang geweest. Op concertavonden zat het weleens vol.

Maurer heeft overwogen in het gebouw te gaan wonen. Maar ze schrikt terug voor de uitgebreide maatregelen die ze moet nemen voordat het huis bewoonbaar is.