Achterwerk in de klas

Veel Samisch kan ik nog niet, maar ’kontje’ zit. Als een huis.

Wie om vijf over zes naar binnen kijkt in het klaslokaal, ziet zestien mannen en vrouwen van uiteenlopende leeftijden naar hun billen grijpen. ’De spieren opwarmen’, noemt de leraar het. Want net als we allemaal eindelijk zitten met een kop koffie, moeten we achter onze stoel gaan staan. Zingen, steeds sneller. ”Čalbmi, čalbmi, njunni, njálbmi, beallji, beallji, vuovttat. Oalggit, gieđat, čoavji, bahta, buolvvat, juolgi, juolgi.” En het betreffende lichaamsdeel aanraken. ’Oog en oog en neus en mond en oor en oor en haren. Schouders, handen, buikje, billen, knieën, voet en nog een.’

Die veelgeprezen Noorse zangcultuur, leeft die alleen bij peuters en pedagogen? In elk geval ben ik niet de enige om net iets over zessen nog niet in de stemming is. De stemmetjes van de anderen zijn ook dun. Als ze al hun mond opendoen. En als verlegen meisje uit de provincie zomaar in het openbaar aan je bips zitten, dat vraagt zelfoverwinning. Maar ik wil dapper zijn. Klooooiink, resoneert het op de kuisheidsgordel, die mijn man na veel moeite zelfs in mijn maat heeft weten te bemachtigen. (Die Lappen hebben nogal losse zeden, dat weet iedereen).

Als iedereen helemaal warm is, krijgen we grammatica. Vanavond gaat het over ’biktasat’ (kleren) en ’ivnnit’ (kleuren). En die woorden voor kleuren, die hebben een andere uitgang afhankelijk van of je ze predicatief dan wel attributief gebruikt. Huh, moeilijk? Geeft niet, hier gaan jullie echt niet op zakken voor het examen, benadrukt de leraar.

Tijd voor wat oefeningen. Converseren met degene naast je over al je zichtbare kledingstukken.
’Ik heb een blauwe jurk aan. Heb jij ook een blauwe jurk aan?’
’Nee, ik heb geen blauwe jurk aan’, antwoordt mijn buurman, die snel de rits van zijn trui heeft dichtgedaan. Dat scheelt weer een t-shirt. Met ‘zwarte en grijze strepen’, moeilijk moeilijk.
De leraar zegt streng: ’Als dit een intensieve dagcursus was, dan moesten jullie veel meer oefeningen doen.’
’Moesten we dan ook alle onzichtbare kledingstukken benoemen?’ vraagt een andere jongen.
Ik lach hard en oei, daar ontsnapt een windje. Ploooiink, weerkaatst het in het koper. Best wel hard. Nu komen we pas echt in de stemming.